Chic hotel met Duitse eigenaar was plek voor onderduikers, Duitse officieren sliepen er ook

maandag, 4 mei 2026 (11:32) - Omroep West

In dit artikel:

In Den Haag werd het chique Hotel Des Indes tijdens de Tweede Wereldoorlog bekend als het ‘Wehrmachthotel’ omdat Duitse officieren er logeerden. De Duitse werknemer Sepp Thum, die sinds 1926 in het hotel werkte, werd na de inval van mei 1940 door de bezetter formeel als directeur aangesteld. In plaats van collaboratie gebruikte Thum zijn positie als dekmantel: terwijl nazi’s boven in het hotel verbleven, verborg hij in de kelders jarenlang onderduikers, voorzag hen van eten, geld en zelfs wapens, en beschermde hen tegen ontdekking.

Samen met zijn Joodse vriendin Irène Donáth vormde Thum een opvallend verzetsduo. Het tweetal organiseerde een gevaarlijk dubbelleven onder het oog van de bezetter; ondanks het voortdurende risico ontdekten de Duitsers hun activiteiten niet. Enkele weken voor het einde van de oorlog werd Thum toch gearresteerd en in Kamp Amersfoort zwaar gemarteld. Hij hield echter zijn mond en werd kort vóór de bevrijding vrijgelaten.

Na de oorlog belandde Thum evenwel weer in de cel: de Britten zagen alle Duitsers in Nederland aanvankelijk als vijanden van de staat. Zijn bezittingen werden verbeurd verklaard; terugkrijgen vroeg om bewijs dat hij geen vijand was. Dat bewijs leverde hij met talrijke verklaringen van mensen die bij hem ondergedoken hadden gezeten — van hooggeplaatste getuigen zoals de adjudant van koningin Wilhelmina en een Shell-directeur tot personeel en ondernemers — waardoor de autoriteiten uiteindelijk overtuigd raakten van zijn verdienste. Nederlandse rechercheurs oordeelden dat Thum zich veel nobeler had gedragen dan veel andere landgenoten.

In 1948 trouwde Thum met Donáth; enkele maanden later pleegde zij zelfmoord. Thum bleef tot 1953 actief bij Des Indes, waarna hij restaurant Royal startte, dat uitgroeide tot een chique trefpunt voor politici en internationale beroemdheden zoals Moshe Dayan en Arthur Rubinstein. Journalist Casper Postmaa, die in de jaren tachtig Thums voormalige woning kocht, reconstrueerde het levensverhaal in zijn boek De dag dat de duivel naar Des Indes kwam. Postmaa ontmoette Thum één keer kort voor diens pensioen; Thum overleed in 1985. Zijn handelen tijdens de bezetting blijft een opmerkelijk voorbeeld van moed en dubbelspel onder directe bezetting.