Chique hotel met Duitse eigenaar was plek voor onderduikers, Duitse officieren sliepen er ook
In dit artikel:
Sepp Thum, een Duitse hotelier die sinds 1926 in Den Haag werkte, kreeg tijdens de Tweede Wereldoorlog van de bezetter de leiding over het chique Hotel Des Indes aan het Lange Voorhout. In plaats van de nazi’s te dienen, gebruikte Thum het etablissement als een heimelijke reddingspost: terwijl Duitse officieren op de bovenverdiepingen logeerden, verstopten Thum en zijn Joodse partner Irène Donáth in de kelder tientallen onderduikers, voorzagen hen van voedsel en geld en verstopten soms wapens. Die dubbele rol duurde ruim vier jaar en speelde zich letterlijk onder de neus van de bezetter af.
Enkele weken voor de bevrijding werd Thum gearresteerd en zwaar gemarteld in Kamp Amersfoort; hij hield echter zijn mond en werd uiteindelijk kort voor het einde van de oorlog vrijgelaten. Na de oorlog belandde hij opnieuw in hechtenis, nu door de Britten in de Scheveningse gevangenis, en werden zijn bezittingen verbeurd verklaard. Thum wist die terug te krijgen door talloze getuigenverklaringen van mensen die bij hem ondergedoken hadden gezeten — van bedrijfsdirecteuren tot personeel — waardoor onderzoekers en geheime diensten hem later als uitzonderlijk loyaal en hulpvaardig bestempelden.
Journalist Casper Postma, die in de jaren tachtig het huis van Thum kocht, reconstrueerde het verhaal in zijn boek De dag dat de duivel naar Des Indes kwam en ontmoette Thum éénmaal kort voor diens pensioen. Thum trouwde in 1948 met Irène; enkele maanden later pleegde zij zelfmoord. Hij bleef tot 1953 in het hotel werken en kocht daarna restaurant Royal, waar internationale gasten kwamen. Sepp Thum overleed in 1985 in Den Haag. Zijn handelen tijdens de oorlog wordt gezien als een riskante, stilzwijgende vorm van verzet die vele levens redde.