D66-partijkantoor na explosie niet gesloten door burgemeester, waarom niet?

zaterdag, 23 mei 2026 (08:03) - Omroep West

In dit artikel:

Op donderdagavond 7 mei werd bij het D66-partijkantoor in de Lange Houtstraat in Den Haag een vuurwerkbom door de brievenbus gegooid; er ontstond schade en een groep jongeren in het pand raakte geschrokken. De politie hield snel een 37‑jarige verdachte aan; hij wordt verdacht van het veroorzaken van een explosie met mogelijk terroristisch oogmerk en de raadkamer heeft besloten dat hij nog drie maanden langer vast blijft zitten.

De snelle aanhouding leidde ertoe dat burgemeester Jan van Zanen afzag van een onmiddellijke sluiting van het pand. Uit het Haagse stadhuis luidt dat steeds alle feiten en omstandigheden worden meegewogen en dat het ontbreken van een actuele vrees voor herhaling de noodzaak tot sluiting in dit geval kleiner maakte. In praktische zin koos de burgemeester voor andere, zichtbare en onzichtbare veiligheidsmaatregelen in plaats van een bestuursrechtelijke sluiting.

Juridisch staat een burgemeester wél de bevoegdheid toe om een woning of een niet‑voor‑publiek toegankelijk pand tijdelijk te sluiten op basis van artikel 174a van de Gemeentewet — de zogenoemde Wet Victoria. Deze noodmaatregel is bedoeld om de leefbaarheid en veiligheid van de omgeving te beschermen na ernstige geweldsincidenten; het gaat daarbij om bestuursrechtelijke ingrepen, niet om strafoplegging. Sluiting onder deze wet vereist dat er sprake is van een ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of een reëel risico dat de veiligheid of gezondheid van omwonenden in ernstige mate wordt bedreigd. De kans op herhaling is daarin een belangrijke factor.

Hoogleraar openbare‑orderecht Michel Vols wijst erop dat deze bevoegdheid sinds 2024 vaker wordt ingezet bij geweld rond panden — bijvoorbeeld na explosies of brandstichting — maar dat sluitingen consequenties hebben, vooral bij woningen en horecazaken, en vaak leiden tot rechtszaken. Hij karakteriseert een partijkantoor als een middenpositie tussen woning en horecagelegenheid: sluiting is mogelijk maar komt minder vaak voor. Vols begrijpt Van Zanens terughoudendheid, ook omdat sluiting van een politiek gebouw kan worden gezien als politiek geladen maatregel die gemakkelijk voor eigen gewin kan worden misbruikt. Tegelijk benadrukt hij dat het bestuur alert moet blijven en dat herhaalde incidenten de afweging snel kunnen veranderen. Goede uitleg van de beslissingen richting ondernemers en bewoners die eerder wél met sluitingen te maken kregen, blijft volgens hem van belang.

In de praktijk worden horecazaken vaker gesloten op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) als de openbare orde in het geding is; gemeente en burgemeester benadrukken echter dat in alle gevallen zorgvuldig wordt afgewogen of sluiting noodzakelijk is, ongeacht welke wettelijke grondslag wordt gebruikt.

Cijfers uit Den Haag illustreren dat sluitingen regelmatig plaatsvinden: in 2025 werden op grond van artikel 174a elf woningen gesloten (negen na ernstig geweld, twee wegens vuurwapens) en werden zestien inrichtingen via de APV gesloten na ernstige geweldsincidenten. In 2026 zijn tot nu toe twee woningen op grond van artikel 174a gesloten en twee inrichtingen via de APV. De keuze om het D66‑kantoor niet te sluiten valt daarmee binnen een bredere bestuurlijke praktijk, maar blijft afhankelijk van nieuwe ontwikkelingen en politieonderzoek.