Meer kinderen zitten thuis, startklas moet schoolprobleem aanpakken: 'Eén plus één is drie'
In dit artikel:
In Den Haag is het aantal thuiszitters het afgelopen schooljaar licht gestegen: van 1.483 naar 1.515 leerplichtige kinderen die langer dan vier weken niet op school waren. De gemeente reageert met zogeheten startklassen, een samenwerking tussen jeugdzorg en onderwijs om jonge kinderen die (nog) niet klaar zijn voor de reguliere basisschool toch in een leeromgeving te houden.
Een voorbeeld is de startklas van basisschool De Grote Beer in Escamp, waar pedagogisch hulpverlener Arjonel Rijpma en leerkracht José Peters samen werken met vier- en vijfjarigen voor wie de stap naar school te groot is. Rijpma richt zich op sociale vaardigheden, prikkelverwerking en taalondersteuning; Peters werkt aan basisvaardigheden zoals in de kring zitten en reageren op instructies. Door die gecombineerde aanpak maken kinderen volgens de betrokkenen zichtbare vorderingen: waar ze eerst maar enkele minuten in de kring konden blijven, luisteren ze nu al vijftien minuten naar een verhaal.
De grootste groep thuiszitters bestaat uit nieuwkomers, waaronder arbeidsmigranten, maar ook kinderen met lichamelijke of psychische problemen vallen onder die groep. Den Haag startte vorig jaar negen startklassen waarin 66 kinderen plaatsvonden; 14 stroomden door naar regulier basisonderwijs en zeven naar speciaal onderwijs of zorg. Wethouder Hilbert Bredemeijer zegt opgelucht te zijn dat kinderen bereikt worden die anders mogelijk thuis zouden zitten, maar waarschuwt dat het nog te vroeg is om te beoordelen of de uitstroom naar regulier onderwijs structureel genoeg is.
De startklassen bieden maatwerk om achterstanden en problemen vroeg aan te pakken en zo langdurig thuiszitten te voorkomen, met actieve betrokkenheid van ouders als belangrijk onderdeel van het traject.