Vermeende Hamas-financier ontkent in alle toonaarden: 'Heb niks met Hamas te maken'
In dit artikel:
De 58-jarige Amin Abou R. uit Leidschendam wordt verdacht van het verzamelen en doorsluizen van meer dan 11 miljoen euro naar Gaza tussen 2003 en 2023 via de stichting Israa. Volgens het Openbaar Ministerie was hij de kartrekker van die stichting en organiseerde hij regelmatig overboekingen — vaak net onder 50.000 euro, soms hogere bedragen — die vanuit zijn huis werden geautoriseerd. De transacties liepen via rekeningen op de Westelijke Jordaanoever en werden daarna contant naar Gaza gebracht via door Israël gecontroleerde koeriers; het geld belandde uiteindelijk bij een bank die gelinkt wordt aan Hamas, waar onder meer hulp aan zogenoemde weeskinderen werd verstrekt (uitkeringen van circa 35 euro per week).
Het OM onderbouwt zijn zaak met Whatsapp-berichten, afgeluisterde gesprekken, bankafschriften en jaarverslagen. Ook wijst het op foto’s en contacten van R. met hoge Hamas-functionarissen, waaronder voormalig leider Ismaïl Haniyeh. Volgens het OM valt Israa binnen de Union of Good, een liefdadigheids-structuur die nauw verbonden is met Hamas; door steun aan jeugd en sociale projecten zou Hamas daarnaast rekruteringsmogelijkheden voor militante afdelingen, zoals de Al-Qassem-brigades, vergroten. Het OM beschuldigt R. ervan te hebben geweten dat het geld in de invloedssfeer van Hamas terechtkwam en eist een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk.
R. ontkent stelselmatig betrokkenheid bij Hamas. Hij zegt slechts adviseur te zijn geweest en beweert niet te weten van een ‘Hamasbank’ of dat hij internetbankierde; veel overboekingen zouden door zijn dochter zijn gedaan. Die dochter is niet vervolgd en heeft een regeling met het OM. R. verklaart verder dat uitnodigingen voor openbare gebeurtenissen, zoals het door hem bezochte 25-jarig Hamas-jubileum in Gaza, niet impliceren dat hij deel uitmaakt van de beweging.
De verdediging bestrijdt de betrouwbaarheid van de deskundige van het OM en benadrukt dat veel bewijsmateriaal uit Israël afkomstig is; zij vindt die bronnen onvoldoende onpartijdig en wil het bewijs laten verwerpen. De zaak gaat de komende zittingsdagen verder, waarbij de advocaten van R. uitvoerig zullen pleiten. De Verenigde Staten plaatsten R. vorig jaar al op een sanctielijst vanwege vermeende banden met terrorisme.